STATIONS

 Het eerste niveau van de  boomstructuur van de computer bestaat uit stations.

Ze worden gewoonlijk met een letter aangeduid. Bijvoorbeeld; het A-station wordt traditioneel aan het diskettestation toegewezen, de C aan de harde schijf. Door rechtsklikken verkrijgt men deze snelmenu:

Bij een diskettestation kan men ook nog gebruik maken van de optie om diskettes te kopiëren.
Formatteren is noodzakelijk om gegevens op te slaan en terug te vinden. Vroeger moest je diskettes eerst zelf formatteren. Nu gebeurt dit bij de fabrikant voor diskettes. Voor de harde schijf wordt deze klus door Windows bij de installatie uitgevoerd. Bij formatteren gaan alle gegevens op het station verloren... Je kan kiezen om NTFS of het oudere FAT te gebruiken. NTFS is echter veiliger.

Wij kiezen de eigenschappen van het station.

Je ziet de nog beschikbare ruimte en je kan aan schijfopruiming doen.

Je krijgt na een korte analyse de geheugenwinst te zien die de schijfopruiming zal opleveren.

Ook bij de 'eigenschappen' kan men het tabblad Extra selecteren:

Dit levert de mogelijkheid op om het station op fouten te controleren, te defragmenteren of een back-up te maken. Defragmenteren zorgt ervoor dat bestanden die uit verspreide stukken bestaan, terug één geheel vormen. Dit levert winst op aan snelheid en aan geheugen.

Ook back-uppen is mogelijk. Als tijdens de back-up een CD of DVD vol geraakt, wordt er gevraagd om een nieuwe CD of DVD in te steken. Dit is een wezenlijk verschil met het kopiëren van gegevens.